Een gemiddeld gezin in een gewone ééngezinswoning produceert ongeveer 12 liter vocht per dag. Dat gebeurt onder andere door koken, schoonmaken, douchen, afwassen en ademen. Dit vocht moet voldoende worden afgevoerd, anders kunnen er vochtproblemen ontstaan. Door een goede ventilatie kan condensvorming op het glas worden voorkomen.
Condens aan de binnenkant (kamer) Bij een lage temperatuur in combinatie met een hoge relatieve luchtvochtigheid kan er aan de binnenzijde van het glas Ãn de woning condensvorming ontstaan. Dit gebeurt als de temperatuur in de woning daalt en de warme, vochtige lucht gaat afkoelen. Vervolgens slaat deze neer op de koudste plek in de woning en vaak is dit het glas. Bij enkel glas is de kans op condensvorming twee keer zo groot als bij standaard isolatieglas. Hoe beter isolerend het glas, hoe kleiner de kans op condensvorming.
Condens aan de buitenkant (straat) Bij een lage temperatuur en een hoge relatieve luchtvochtigheid kan er condensvorming aan de buitenzijde ontstaan. Dit gebeurt voornamelijk in het voor- en het najaar. Gaat gedurende de dag de temperatuur omhoog, dan verdwijnt de condensvorming weer. Condensvorming aan de buitenzijde komt maar beperkt voor en is een gevolg van de zeer hoge warmte-isolatie van het isolatieglas. De kans dat dit gebeurt bij HR++ glas is dan ook groter dan bij standaard isolatieglas.
Condens tussen isolatieglas Als er condensvorming bij isolatieglas tussen de glasbladen ontstaat is de ruit lek. De condens is dan niet te verwijderen. Condensvorming tussen de glasbladen kan ontstaan door achterstallig onderhoud of door een fabricagefout van de glasfabrikant. Het kan echter ook zijn dat de dubbele ruit aan het einde van zijn levensduur is. Gemiddeld is dat na 25 tot 30 jaar. |
|
|